Geschiedenis van de Wilhelminagroep

Door Willem Hendrikse (geschreven in 1992)

 

DE GESCHIEDENIS VAN DE WILHELMINAGROEP
door Willem Hendrikse – 1991/1992

Op 11 september 1937 werd in Utrecht onze groep, de 2e Utrechtse Groep der Padvinders Vereniging Nederland (de P.V.N.) opgericht door de heren Buysing Damsté en Van der Burg. Naar aanleiding van de Wereld Jamboree in Vogelenzang dat jaar zouden ongetwijfeld veel jongens de Wensch in zich voelen opkomen ook Padvinder te worden, zo was hun redenering. Het Verkennen biedt tenslotte veel afwisseling, oefeningen in de bosschen, en in de stad, weekends op een boerderij en natuurlijk de kampen.
De Groep kreeg de naam Tuindorpgroep, opdat zij zich voornamelijk op de niet-katholieke jongens van de wijk Tuindorp wilde gaan richten.
Op 22 november 1937 kreeg de groep zijn eerste geduchte tegenslag te verwerken, de groepsvoorzitter Buysing Damsté nam zijn ontslag, omdat hij niet langer meer in de ruzies verward wilde blijven tussen de groep en het Hoofdkwartier van de afdeling Utrecht. Aanleiding voor deze ruzie was het feit dat de P.V.N. afdeling Utrecht nog een Tuindorpgroep was gestart, die ze de 15e Utrechtse Groep P.V.N. noemde.
En dat was nu net een nummer dat onze groep bij haar oprichting toegewezen had gekregen. En dit nummer moest echter na een maand afgestaan worden en nu kregen we nummer 2 van de P.V.N. afdeling
Utrecht.
Maar ruim een week na het aftreden van de voorzitter wordt in overleg besloten tot een nauwe samenwerking tussen de beide Tuindorpgroepen. Het ledental groeit inmiddels gestaag, want ondanks alles blijft de groepsspreuk: WIJKT VOOR GEEN TEGENSPOED. Waren er in oktober 6 jongens lid, in december waren dit er al 14.
Het eerste kamp van de nieuwe groep wordt met de Kerstdagen gehouden in Maarn. En is direct een groot succes.
Op 22 januari 1938 krijgt de groep na overname van de groep door de Nederlandse Padvinders Vereniging (de N.P.V.) een nieuw nummer: 16.
Een nummer van de NPV-afdeling Utrecht dat we nu nog steeds hebben. Ook met deze reorganisatie krijgen we een nieuwe naam: WILHELMINAGROEP.
In dit zelfde jaar verwerft de groep een welpenhorde. En behalve de welpen krijgen we er nog ruim materiaal bij cadeau. Ruimte heeft de groep echter nog steeds niet echt, en daarom draait deze horde voorlopig maar bij een familie op de zolder. En is daar geruime tijd weggestopt gebleven.
Het aantal verkenners groeit verder en in de loop van 1938 wordt besloten de groep te splitsen in een dorpsvendel (3 patrouilles in Bilthoven) en een stadsvendel van 2 patrouilles in Utrecht. Het
Utrechtse vendel heeft dan ook inmiddels een onderdak gevonden in een nieuw groepsonderkomen aan de Gageldijk.

Met een ledental van 40 verkenners bereiken we op 9 april 1941 een voorlopig hoogtepunt. De Tweede Wereldoorlog is uitgebroken en krachtens verordening van de rijkscommissaris worden door de
veiligheidspolitie de gezamenlijke padvindersorganisaties in het bezette Nederlandse gebied verboden. Zij vormen, volgens de verordening, een actief instrument van de Britse culturele en politieke propaganda. Zij hielden ondanks dit uitdrukkelijk verbod, echter talrijke tochten en voorbereidende oefeningen die veelzijdig op Engeland waren ingesteld. De bijeenkomsten werden nu officieel gestaakt, uniformen waren niet meer toegestaan, groepshuizen met inboedel en al verzegeld.
Dat het de bezetters serieus was, bleek al een week eerder toen behalve huiszoeking bij de hopman thuis, later die dag enkele commissarissen van de vereniging gevangen werden gezet in het Huis van Bewaring.
Opvallend was dat de P.V.N. en N.P.V.-groepen onder een veel strenger toezicht stonden
(inbeslagname en regelmatig huiszoekingen) dan de Katholieke Verkenners.
Maar de groep ging ondergronds verder, ondanks dat de Groepsvoorzitter persoonlijk had moeten tekenen dat hij aansprakelijk was voor de juiste uitvoering van Rijksbevelen, en dat er geen misverstanden of gissingen zouden kunnen ontstaan.
Er worden in deze oorlogsjaren regelmatig bijeenkomsten gehouden, zelfs slaagt de groep erin om een paar kampen te organiseren.
Eind 1944 moest er echter noodgedwongen overgegaan worden op schriftelijke contacten. Door deze contactbrieven, die tussen de leden en ook oud-leden circuleerden bereikte de groep op een nog redelijke sterkte van 17 verkenners het einde van de oorlog.
Het tentenmateriaal was gelukkig tijdens de bezetting behouden gebleven. Veilig opgeslagen in een werfkelder onder de Smeebrug aan de Oude Gracht. Het keukenmateriaal was echter helaas allemaal verloren gegaan.
Ook de Padvinderij hielp mee met de algehele opbouw van Nederland. Aan de Padvinders Vereniging Hulpdienst die op 5 mei 1945 begon te werken, deden van onze groep 16 jongens mee onder leiding van C.J.Bardet assistent-verkennersleider uit Amsterdam.

De totale reorganisatie van de Wilhelminagroep werd nog deze zelfde meimaand ingezet. Groepsvoorzitter en Verkennersleider werd A.P.J.van der Burg, terwijl Bardet de leiding van de welpen, de latere MARIJKEHORDE op zich neemt. Over aanloop van nieuwe leden heeft de groep niet te klagen. Al spoedig telt eind 1945 de horde 24 leden. De verkennerstroep moet zelfs al gesplitst worden in de EGGINKTROEP en de NASSAUTROEP. Beide hebben ze 31 leden.
Ook wordt er een stam opgericht, de PRINS WILLEM VAN ORANJESTAM, die meteen uit 16 leden bestaat waarvan er 6 leider zijn binnen de groep.
Met een totaal van 106 leden in 1946 is de groep dan uitgegroeid tot de grootste van de stad Utrecht en bereikt dan tevens een tot op heden ongeëvenaard ledental.

De eerder genoemde mei-reorganisatie hield echter nog meer in dan alleen een groeiend ledental. De groep wordt namelijk als zeeverkennersgroep her-opgericht en zal haar verdere leven als zodanig ( hopelijk !!!) blijven. Maar wat is nu een watergroep zonder boot ? Zo was de groep bijzonder blij toen zij in 1945 een eerder gevonden boot voor het symbolische bedrag van Fl.1,– kon kopen van het Militair Gezag. Deze
eerste boot van de Wilhelminagroep kent iedereen van toen en nu ongetwijfeld, het is de Prins Willem.
Met de komst van een boot in de groep en de omschakeling tot zeeverkennersgroep werd het noodzakelijk om een financieel beleid uit te gaan stippelen; watergroepen zijn nu eenmaal relatief duur.
Zo wordt in 1946 de eerst bekende groepsbegroting gepresenteerd ten bedrage van het toen formidabele bedrag van 1167 gulden. Ook de contributie stijgt dit jaar, een welp gaat 8 gulden betalen en een verkenner 12 gulden. En ondanks deze verhoging blijft de groep groeien tot 113 leden eind 1946.
De welpenhorde draait in die tijd bijzonder goed, zo laat het jaarverslag ons weten. Het enige vervelende was in dit jaar dat de hordeleiding nog al eens van samenstelling wisselde. De horde treedt regelmatig naar buiten: bij de wandelmarsch van groep 4 (de inmiddels verdwenen buren van onze horde, sloeg de horde een mooi figuur en telde geen uitvallers. Op St.Jorisdag, 23 april, liepen de jongens de gehele dag in uniform met de rode tulp, en presenteerden zich zo aan de Utrechtse Burgerij.

 

In augustus 1947 begint de voorbereiding van de viering van het 10-jarig bestaan van de Wilhelminagroep. De groepsleden gaan met
lijsten de stad door op zoek naar oud-leden om met hen de lustrumdag te kunnen vieren.
Ondanks de gevraagde bijdrage van FL. 1,– waarvoor men ook nog een lustrumboekje ontvangt, loopt het niet storm. Het 10-jarig bestaan gaat geruisloos voorbij. Alleen worden we weer een boot rijker, de Prins Maurits.

In oktober 1946 wordt DE WERF bij de Noordersluis in gebruik genomen, nadat de Wilhelminagroep hier al ruim een jaar zat. De vlaggenmast wordt zelf gemaakt uit een zelf gekapte boom.
Behalve deze gebiedsuitbreiding is er in 1946 nog een uitbreiding op komst: een tweede welpenhorde. Daar de richtlijnen van de Padvindersorganisatie niet toestaan dat een groep 2 hordes heeft, wordt er op papier voor deze horde een aparte groep opgericht: Groep 33, de IRENEHORDE.

Nautisch gaat het nu bergopwaarts met de Wilhelminagroep. De Prins Willem wordt omgebouwd tot zeilsloep en verliest zo zijn titel, de
gezelligste baksboot, aan de Prins Maurits.
Ook wordt er eindelijk roeien geleerd zoals het moet, namelijk tuss en elke twee slagen een korte rustpauze. Dit was al jaren de gewoonte bij de Marine, in tegenstelling tot de koopvaardij waar men, net als de zeeverkenners anno 1992, als maar doorlepelt..

 

1949, het jaar van de papieren.
De groep krijgt steeds meer bezittingen, een zomeronderkomen en een gebouw waarin men zich in de winter terugtrekt (over de gebouwen, later in deze serie meer), een botenpark en veel materiaal. Het wordt dus nu belangrijk om de zaken duidelijk op papier te gaan zetten. Er worden een tweetal aktes opgesteld, danwel uit de grond gestampt en bij de notaris officieel gedeponeerd. De ene is de officiële oprichting van de Stichting Wilhelminagroep, die de materiele belangen van de groep behartigt. De andere is de Stichting Botenfonds, die ten doel heeft de bevordering van de watersport, in het bijzonder door het ter beschikking te stellen van daartoe benodigd materiaal aan een of meerdere groepen zeeverkenners.
In dit jaar gelukte het om voor elke bak van de Egginktroep een eigen boot te krijgen. (daarover in deel 3 meer). Compleet waren ze beslist niet. Geld voor nieuwe riemen en de tuigage en het opknappen van de twee nieuwste sloepen moest tot grote teleurstelling van de zeeverkenners voorlopig achterwege blijven.
Maar met deze vurige wensen wordt de sfeer in de groep wel steeds beter. Zo vermeldt het jaarverslag onder andere: Er heerst een ongedwongen geest van hulpvaardigheid en de bakleiders dragen in toenemende mate mee aan de verantwoordelijkheid voor het gehele groepsleven. De scheepsraad is een plaats waar alles wat de troep aangaat openhartig behandeld wordt. De samenwerking van de leiders is wel voldoende maar zou toch wel beter kunnen, vooral hunner instelling tegenover de jongens…..
Het probleem van onvoldoende leiding uitte zich met het niet doorgaan van het Paaskamp en ook het Pinksterkamp werd helaas afgelast. Het Zomerkamp ging gelukkig wel door, zij het dat de begeleiding vooral op nautisch terrein onvoldoende was.
Op het land ging het beter af, de Kievitenbak (wie anders natuurlijk) vertegenwoordigde de troep op de Districtswedstrijden, want zij waren weer als beste van de groep tevoorschijn gekomen en behaalde een zevende plaats – van de 50 deelnemende patrouilles.
September schudde de troep op zijn grondvesten toen er in een keer elf leden uittraden. Maar gelukkig kon het verlies snel aangevuld worden, onder andere uit eigen horde. Maar toch.
Het vaarseizoen wordt dit jaar besloten met een roeiwedstrijd. En wel een hele belangrijke. De prijs bestaat er namelijk uit dat de bakken in volgorde van binnenkomst de boot van hun keuze definitief krijgen toegewezen.
Het groepsjaar wordt besloten met een sinterklaas- en kerstfeest voor alle leden bij de Irenehorde op het Hordehol aan de Koningsweg.
De Egginktroep was bij deze gelegenheid niet aanwezig, doordat de verhouding met de andere onderdelen niet erg best was. Een stevige vechtpartij tussen de beide troepen na een overval tijdens het kerstkamp bracht gelukkig beide troepen weer bij elkaar.
Een jaar van aparte zomerkampen (de senioren van de Egginktroep gingen dit jaar met de Prins Willem onder andere naar Loevestein, en de junioren van de Nassautroep gingen wederom naar Vinkeveen) lijkt dan ook een einde gekomen.


DE VLOOT

In 1945 ontdekt de troep van de Wilhelminagroep bij de Wartburg, het sluisje in de Oude Rijn bij De Meern een originele C 1 sloep van de Marine, een boot gebouwd omstreeks 1906. Navraag leverde geen eigenaar op, en na een korte leenperiode werd de boot voor FL. 1,– bij het Militair Gezag gekocht, waarmee de aanwinst wettig was. Alhoewel niet in bijster goede staat wordt er dat jaar al een zomerkamp mee gehouden. Maar liefst 43 leden gingen er mee in die ene boot.
De volgende jaren wordt de boot, die we allen kennen onder de naam PRINS WILLEM (9.20x 2.60 x0.60) uitgerust met goede dollen en riemen om tenslotte in 1949 geheel omgebouwd te worden tot zeilsloep.

Een jaar na de aankoop van de Prins Willem verwerft de groep zich voor Fl.25,– een volgende boot, de NASSAUvlet (4.95×1.85×0.50) eigendom van Rijkswaterstaat. Na het stoppen van de vele gaten wordt de vlet gebombardeerd tot volgbootje van de Prins Willem, en zal als het ideale wrikbootje met z’n slanke vletvorm nog lange tijd dienst doen als instructiescheepje.

In 1947 wordt de groep maar liefst drie schepen rijker. Voor 750 gulden een engelse jol, die de naam WATERGEUS krijgt. Deze is geheel compleet als roei en zeilboot (6.00×1.60×0.50) en blijft dat tot ze in 1951 gesloopt wordt.
De tweede aankoop is een kajuit-zeilboot. Eerst bekend onder de naam ADA 2 en later omgedoopt in LUMEY. Deze houdt het nog korter uit, en wordt al in 1950 gesloopt. Als sluitstuk van de vloot krijgt de groep de PRINS MAURITS cadeau. Een bootje (4.95×1.85×0.50) dat ooit gediend heeft als reddingsboot op oceaanschepen. Sommigen uit die tijd herinnerden zich deze als de gezelligste baksboot. Niet zo erg best, maar kon wel tegen een stootje. Met emmerzeilen die rood afgaven, verrotte kielbalken, tweede mast met bezaan en aapzeil, boegspriet en een stuk plaatijzer
als kiel. In 1950 echter al afgekeurd, tot grote verslagenheid bij de Meerkoeten. Maar in 1962 vaart hij nog steeds, dezelfde Maurits, het Abattoir, samen met z’n opvolger, de Lelievlet 235.
De volgende jaren geen aankopen. De bestaande vloot wordt echter wel in betere conditie gebracht. (onder andere de Prins Willem)

 

Dan in 1949 worden er drie schepen tegelijkertijd gekocht, voor de somma van FL.500,–
De PRINS FREDERIK (5.12×1.75×0.50) ook een reddingsboot, maar nu van een vissersschip. Deze boot met ook een emmerzeiltje, kop en kont gelijk en met grote haken voor de davits, zeilt menig jaar in de vloot mee. De voorste haak wordt gedurende een der kampen als anti-scheefzeiler door een kleinere zeeverkenner gebruikt. Trek je eraan, dan gaat de boot ook werkelijk minder scheef. In 1956 is de boot in verre staat van ontbinding verkocht aan een andere zeeverkennersgroep, die hem nu nog boven water probeert te houden.
De PRINS ALEXANDER en de PRINS HENDRIK zijn twee identieke roeisloepjes (4.96×1.85×0.50). Beide worden ze later tot zeilsloepje omgebouwd, eerst met een emmerzeil en later langsgetuigd. Geen van beiden zijn lang bij de groep gebleven, zij waren ook niet echt goed in het carrière-zeilen. De Alex is nog een keer met stukken wilgenhout tijdens een zomerkamp gedicht, daar opdringend buitenwater erg lastig begon te worden, en is toen ijlings aan een groep in Culemborg verkocht. De Prins Hendrik is in 1956 aan een zeeverkennersgroep in Utrecht verkocht toen de eigenaar; de Kievitenbak er een aanvaring mee in Vinkeveen kregen( n.b. met een roei-bootje) en het de bak gelukte om zodanig door een brug te varen dat hij ondanks de geopende brug, toch de mast in tweeën voer, hetgeen nog nooit overtroffen is.

Het roei- en zeiltijdperk lijkt zijn einde te naderen als de WERF( een samenwerkingsorgaan van de Utrechtse Zeeverkennersgroepen) in 1950 onderhandelingen begint met een opgeheven groep uit Culemborg. Een motorsloep in bruikleen is het resultaat. Deze boot wordt echter in 1953 door de Wilhelminagroep overgenomen, ’t HIJGEND HERT.

 

De Wilhelminagroep was echter toch nog zo zeilfanaat, dat er in deze jaren vijftig zeilboten blijven worden gekocht.
In 1950 de PRINS PHILIPS(5.55 x1.82×0.40 ), een oud model standaard-sloep. Een zeer slank schip met een gladde bouwwijze en bovendien een uitstekende zeiler. Voor de bemanning echter een zeer moeilijk te hanteren schip, daar zij onder zeil bijna direct op een oor lag. Een val uit de takels bij transport naar het eerste nationale waterkamp in Terhorne, waarbij een tweetal gangen en spanten vernield worden, kostte haar bijna het leven. Maar dankzij de toen nog onbekende jachtbouwer fa. de Vries Lendsch kon zij hersteld worden en nog jaren in de groep blijven bij de senioren en loodsen.
Ook verwierf de groep in dit jaar een 16-kwadraat klasse met de toepasselijke naam MANDJE. Reeds spoedig ging deze over van mandje naar vergiet en werd ras van het vlootbestand afgevoerd.
De PRINS JOHAN WILLEM FRISO, later omgedoopt tot PRINS JAN verschijnt in mei 1952 bij de groep. Deze gladde giek (5.55×1.80×0.90) werd in eerste instantie door de loodsen gebruikt, en daarna door de Futenbak. Dit tot haar opvolger, een stalen lelievlet, zou gaan komen.

De door de Stichting De Werf gebruikte motorsloep uit Culemborg wordt in 1953 door de Wilhelminagroep overgenomen. De motor uit dit orgel, een opeltje uit 1928 wordt pas in 1960 vervangen door een Ford-Anglia motor met versnellingsbak. De boot krijgt dan ook haar definitieve naam waaronder zij tot 1964 over Neerlands wateren rondzwerft:
‘T HIJGEND HERT. Behalve de motor is ook de schroef eenmaal aan revisie onderhevig geweest. Een van de stuurlieden raakte tijdens het zomerkamp een schroefblad kwijt.

 

Eind vijftiger jaren heeft de groep nog over een aantal schepen de beschikking gehad, waarover helaas weinig bekend is. Zo zijn er nog een LANDINGSVAARTUIG, een BREUKELSCHE SLOEP en een schip met de naam PADDE enige tijd bij het varend gebeuren betrokken geweest.
Met deze houten boten sluit de Wilhelminagroep eind vijftiger jaren voorlopig het hoostijdperk af en begint de aanschaf van nieuwe stalen boten van de lelievletklasse.

In eerste instantie staat de leiding zeer sceptisch tegenover deze bootjes: klein, weinig bergruimte, lomp, slecht aan de wind zeilend enz. Maar nadat de leiding er een keer in gezeild heeft (de katholieke verkenners VKJB hadden dit type boot al reeds geïntroduceerd) zijn zij wild enthousiast. Deze boten zijn niet klein en lomp, maar je moet kunnen Zeilen. Je moet met ballast, al dan niet levende, durven spelen; je moet het zwaard durven gebruiken, waarvoor het is; en je weet reeds van de sloepen, dat je roer geen pomp is. Jij speelt met millimeters roer, maar je kunt er ook de grootste landhaai inzetten, en toch zal hij voor zichzelf de indruk krijgen dat het nog goed gaat ook.
Dat is het moderne botenmateriaal. Hierin drukt de Wilhelminagroep haar Kracht uit. Hierdoor kan de groep gedurende de wintermaanden ook nog andere dingen doen, dan uitsluitend boten opknappen. Het is HET botenmateriaal voor een zeeverkennersgroep.

 

In 1959 de eerste lelievlet, de PRINS HENDRIK nr.98, gevolgd in 1961 door de 134, de PRINS PHILIPS en een jaar later maar liefst 2 nieuwe vletten tegelijk. De 226, de PRINS JAN en dePRINS MAURITS 235.

De leiding van de zeeverkenners heeft sinds het opleggen, lees afbranden van haar sloep enige jaren geen eigen schip. Ze varen, al dan niet voorzien van een buitenboordmotor, met de bakken mee. De toen nog zeer beperkte stafuitrusting kon gemakkelijk over de vier vletten verdeeld worden, en voor de leiding was er ook nog wel een plekje.
In 1968 dan ook een nieuw stalen schip voor de staf/groep, de NASSAU 2. Het casco nieuw gebouwd door de fa.Blom in Hindelopen was voorzien van een star opgestelde luchtgekoelde Lister scheepsdiesel. Handig in de winter en praktisch voor het drogen van de was, maar een zinnig gesprek aan boord voeren was onmogelijk. Ook het nodige gesleutel was deze boot niet vreemd. Met als klapstuk het Paaskamp 1972. Op de terugreis liep de motor compleet vast en kon na een grondige revisie de eerste dag van het zomerkamp opnieuw dienst gaan doen.


WELPEN IN DE RIMBOE

Bij de oprichting van de groep werd ook direct met een horde gestart (we hebben het dan over 1937) en tot grote vreugde verkreeg de Wilhelminagroep er in 1938 er een tweede horde bij, compleet met alle zorgen. Al spoedig samengegaan tot de Marijkehorde, werd ook deze in 1941 op last van de Duitse overheid opgeheven.

Nadat de hulpdiensten vlak na de oorlog gestaakt werden, konden plannen voor heroprichting verwezenlijkt worden, zij het dan nog in een uiterst primitief stadium, daar er niets van uniform, spelmateriaal of iets dergelijks aanwezig was. Toch was de toevloed van welpen zeer groot, zodat er al snel met een wachtlijst gewerkt werd.
De eerste horde na de oorlog, de Irenehorde, vond een hordehol op het (inmiddels verdwenen) Biltstraatstation. Vandaaruit trekt men regelmatig naar het Landje van Van Doorn aan de Biltseweg. Hier wordt volop het Spel gespeeld, alhoewel het uiterst moeilijk blijkt te zijn om jongens die de laatste jaren zoveel ellende hebhen meegemaakt, toch tot echte welpen te maken. Het enthousiasme is zeer groot en daarom wordt het noodzakelijk om een tweede horde op te richten, hetgeen op 5 februari 1947 geschiedde. Deze horde kreeg de naam Marijke weer terug, waarvoor officieel toestemming van het
Koninklijk Huis was verkregen. Het gaat beide hordes zeer voorspoedig mede dankzij nieuw materiaal en ondanks reeksen leiding die de revue passeren.

In het rampjaar 1952 moet de gehele groep het Biltstraatstation verlaten. De verkenners verdwijnen naar De Werf, doch de hordes vangen aan met rondzwerven in en om de stad. Nog meer rampspoed dit jaar als de complete hordestaf met akela verdwijnt. Een toevallig aanwezige kijker, Ineke Desplanque pakt compleet onbekend, on-ingewerkt én alleen deze uitdaging. En niet zonder succes, want in 1979 zullen we haar 25-jarig akela-zijn vieren.
Na het Biltstraatstation zijn er opkomsten in het Oorsprongpark, en bij regen en in de winter worden middagen onder andere in het Spoorwegmuseum gehouden.
De Marijkehorde heeft ook duidelijk last van het gemis aan een eigen hordehol, want het ledental daalt tot een dieptepunt in 1955 van zes, en de horde wordt tijdelijk bij gebrek aan leiding bij een andere groep ondergebracht. Dan wordt de horde onder gebracht op fort Lunetten. De eerste winter daar was zeer slecht, het was erg koud en in het hordehol stond slechts een petroleumkacheltje, dat op een gegeven ogenblik nog gestolen werd ook. Middagen dat welpen huilden van de kou, en stafleden na afloop als ijspoppen thuiskwamen. Gelukkig kon eind 1956 het nieuwe hordehol op de huidige plek betrokken worden, aan de Kromme Rijn bij de Tamboersdijk.
Het aantal Welpen schommelde tussen de 10 en de 15, niet heel groot, maar gezien alle leidingproblemen (regelmatig 1 tot 2 stafleden) ruim genoeg. Ook dat had zijn weerslag op de aktiviteiten, zo werden er in 1958 en 1959 geen eigen zomerkampen gehouden. Het bleef bij uitstapjes naar het Muiderslot en Kasteel Haarzuilens. In 1959 werd samen met de Irenehorde een eerste zomerkamp gehouden.
Wel werd deelgenomen aan de jaarlijkse hoogtepunten als de Rimboejacht, de Winterjacht, de St.Jorisviering, Heitje voor een Karweitje, en de St.Maartensviering: Het uithollen van koolrapen, die als lampions moesten dienen, was altijd een zalig werk waarbij heel wat welpen buikpijn opliepen, omdat ze een groot deel van de koolraap opaten.
Ook onaangename dingen overkwamen de hordes: inbraakjes, overlast van opgeschoten jongeren en het allerergste een brand in 1960, waarbij ongeveer de helft van het Hordehol onbruikbaar raakte en bijna al het materiaal verloren ging. Voor beide hordes werd een tijdelijk onderkomen gezocht in een Werfkelder aan de Oude Gracht. Dat ging redelijk, hoewel de ruimte zeer beperkt was en ook die Gracht vlakbij was een nachtmerrie, gevaarlijk en lastig. Zo was er een middag waarvan het grootste deel werd doorgebracht met het gooien van stenen en andere projectielen naar onze enige bal, die vrolijk midden in de Gracht
dobberde en het daar blijkbaar naar zijn zin had.

HET GROEPSBLAD

In januari 1939 verschijnt het eerste groepsblad van de Wilhelminagroep. Het blad dat de naam: BLIJFT EEN!, meekrijgt is het officiële huisorgaan van de 16e Utrechtse Groep Padvinders Vereniging Nederland, de Tuindorpgroep.
Een sterke band moet ons blijven binden, ondanks het feit dat we in kleine afdelingen werken. We moeten voelen dat we bij elkaar horen, van de kleinste welp tot de grootste voortrekker. Daarom is de naam BLIJFT EEN gekozen, omdat ons blad de band wil verstevigen, die tussen ouders, jongens en leiders bestaat.
In dit oprichtingsjaar verschijnen maar liefst 9 maandelijkse edities. Helaas maakt de oorlog ook een einde aan de verschijning.

Na de oorlog zal het opnieuw herrijzen, want is niet de groepsspreuk “WIJKT VOOR GEEN TEGENSPOED”, ook in dit geval van toepassing.
Maar zelfs tijdens de bezettingsjaren is het blad blijven bestaan, heeft een beperkt aantal ondergrondse uitgaven gekend om de leden juist in die moeilijke jaren met elkaar in contact te houden. De eerste officiële naoorlogse uitgave dateert van 1 februari 1946, de 4e jaargang, nummer 1.
In de loop van de veertiger jaren gaat het blad wederom ter ziele en het zal nogal lang duren voordat er een nieuw blad opgezet wordt.

Augustus 1958 komt het eerste exemplaar van HET LEIOOG uit. “Op zich natuurlijk een loffelijk streven”, aldus de groepsvoorzitter, “Ik heb al verscheidene groepsbladen zien gaan en komen, en ik wil de redactie niet ontmoedigen en ik ben benieuwd hoe het zich zal houden. Ik kan niet anders dan het toe te juichen en de initiatiefnemers hiervoor te danken.” Een zeer regelmatige verschijning, met elke maand een uitgave wel te verstaan, is het antwoord van de redactie.
November 1959 komt het laatste eenmansnummer uit, maar gelukkig zet in februari 1960 een zesmansredactie de werkzaamheden voort. Hun doel: om van het LEIOOG een Groepskrant te maken, een krant voor allen. Maar ondanks alle moeite, de redactie schrijft zelf hierover, regelmatig verschijnt het LEIOOG voor onze geest als we wel willen, maar geen tijd hebben.

Wordt vervolgd. Willem Hendrikse.